De vrouw die zoek was - Eva Kelder

Posted by | december 15, 2015 | Korte verhalen | No Comments
Geschreven in opdracht van het Vlaamse korte verhalen label iStoires
Als geïllustreerde print te bestellen op http://istoires.com/product/istoires-3/

Ze had weinig gedachten gehad die morgen. Een kort tijdsbestek waarin haar gedachten te traag waren om te kunnen volgen. Ze verloor snel haar aandacht bij dingen waarvan het tempo haar niet beviel. Aanvankelijk had het reisprogramma haar beangstigd, de compactheid waarmee de dagen waren dichtgestreken. Het had haar op het laatste moment doen twijfelen.

Bijna had ze de boekingspagina weggeklikt. Zonde. Zonde van de research die ze had gedaan, zonde van het invoeren van haar meisjesnaam en geboortedatum, de krioelende getallen van haar creditcard. Zonde van de steek in haar linkerborst die ze had gevoeld bij het leeg laten van het vakje waar ze anders háár naam had ingevuld. Moniek Pereboom. Roepnaam: Moon. Geboren te Alblasserdam. Gestorven te Amstelveen. Reutelend, hijgend, de blauwe lippen in een grimas. Net daarvoor nog fluisterend, smekend haar hand los te laten. Het was zo warm, ze had het zo warm.

De reisleider hief zijn armen op. Peter, Pieter, Pjotr? Ze vergat steeds zijn naam. Met zijn beide armen in de lucht leek hij naar iets te wuiven wat buiten haar zicht lag. Ze moesten met zijn allen de bus in. Het was gaan regenen, alweer gaan regenen, en zijn jonge gezicht werd nat, zo naar de hemel geheven. Ze trok haar schouders op en haar capuchon verder over haar ogen. De adem van de groep rolde in doffe watten de bergen tegemoet, die zich achter de reisleider, achter de toerbus, achter de barakken die in de folder werden aangeprezen als ‘authentieke gastenverblijven’, oprichtten. Er was geen woord van gelogen. Dit land leek geheel opgetrokken uit golfplaat. Alleen de kilte die hier iedere ochtend uit de aarde opsteeg en zijn weg vond tussen de kieren van het dekbed, maakte het verschil met de sloppenwijken van Dakar.

Ze overdreef. Ze zag de werkelijkheid niet zoals ze was. Te bleek, te grauw. Je overdrijft een beetje, lieverd, zou Moon zeggen. Het was een mooi land, groen land. Ze keek om zich heen. De anderen zagen het wél, hoe mooi het was. Gisteren was een man in huilen uitgebarsten bij de aanblik van een wit kerkje met een rood dak dat aan de voet van de berg alle realiteitszin leek te willen tarten. De besneeuwde bergtoppen, de schapen in de verte, het gebrek aan alles wat je thuis in duizendvoud vond, iedere dag opnieuw. Het maakte haar razend. Wat was de zin van dit alles als ze het zonder hààr moest zien? Ze had zich naar de man omgedraaid en hem toegebeten of het wel goed met hem ging. Er was een beetje spuug vrijgekomen bij het laatste woord. De outdoor jacks ritselden geschrokken. Bange ogen. Zijn vrouw had haar armen om hem heen geslagen en voor hem geantwoord, zoals dat soms gaat wanneer je al lang samen bent. ‘We hebben er al heel ons leven van gedroomd om hier samen te zijn maar sinds mijn man…’ Ze brak haar zinnen af. De anderen sloegen armen om haar heen, om hem, tot het gezicht van de man oploste in een knoop van fleecetruien en outdoor jacks.

Ze had zich omgedraaid en was weer in de bus gaan zitten. Daarna was er iets veranderd. De groep had zich van haar afgekeerd, eendrachtig en zwijgend. Voor het eerst sinds ze vertrokken waren, pas twee dagen geleden – de tijd kroop sinds Moons sterven – kwam er niemand naast haar zitten in de bus. Ze keek naar haar gevouwen handen, de afgekloven nagels aan haar verstrengelde vingers. ‘Waar denk je aan, lieverd? Niet zo op je vingers bijten. Waar denk je aan?’ Moons stem in haar hoofd. Ze dacht aan welke dieren een partner voor het leven namen, de dwazen van het dierenrijk. Waarom? Waarom je binden aan iets warms, iets levends, een kloppend hart? Waarom was ze zo gek geweest? Zonder biologisch nut; kinderen hadden ze niet. Omdat ze maar één keer verliefd was geweest in haar leven en die verliefdheid keer op keer de kop opstak, of ze het nu wilde of niet. Omdat het zeldzaam, maar bewezen was: sommige hersenen vonkten een leven lang slechts voor één persoon.

‘We zijn er!’ De reisleider, die ze ondertussen in gedachten Jochem had gedoopt, zwaaide de deur van de bus open. Bij het passeren glimlachte hij naar haar. ‘Om zes uur verzamelen, laat je door de geiser niet verleiden langer weg te blijven. We kunnen niet wachten.’ Ze knikte en vermeed hem aan te kijken. Het moest gezegd, het was een vorstelijk ding, die geiser. Het kokende vocht spoot onvermoeibaar hemelwaarts. Om de geiser sluimerden kleine poelen, borrelend als heksenketels. De geur van zwavel ondraaglijk, zoals iets rots dat je longen penetreert. Ze kneep haar neus dicht en keek toe hoe één van de anderen de waarschuwingsborden negeerde en zijn vinger in een poel doopte. Ze wachtte de afloop niet af en sopte door de hete, zuigende drasgrond naar het bezoekerscentrum. Een vriendelijk blond kind drukte een wandelroute naar een natuurlijke bron in haar handen. ‘Echt de moeite waard. Het water is blauw als ijs.’ Water blauw als ijs. Ze dacht dat ijs wit was. Ze besloot te gaan. Die zwavel prikte gemeen in haar ogen. Het rondspattende water van de geiser wierp kristallen door de lucht. Ach, zou Moon zeggen en de druppels laten landen op haar gezicht. Ze had lang geprobeerd, veertig jaar lang had ze de tijd gehad, om te kijken zoals Moon. Ze had niet het idee dat ze er ooit in geslaagd was. Ze volgde de bordjes naar de heetwaterbron.

De kilometers leken haar wat veel, ze kon zich niet meer herinneren of men in mijlen of kilometers dacht in dit land. Ze haalde diep adem en concentreerde zich op het spannen van haar kuiten. Het zou haar goed doen de gedachten eens flink te verzetten. Het pad klom sneller dan zij. De wandelaars die haar eerst nog links en rechts passeerden werden spaarzamer, het uitzicht ongeloofwaardiger. Het bood haar de kans beter te kijken naar de kletterende beekjes die als berggeiten van rots tot rots sprongen, naar de besneeuwde toppen in de verte als poortwachters tot een onaards paradijs.

Beneden bij de bus hing een wolk van paniek. Jochem wiste het zweet van zijn voorhoofd. Er leek iemand kwijt geraakt. Eén van hen. Nooit eerder gebeurd, hoe was het mogelijk. Waarschijnlijk een onopvallende vrouw van middelbare leeftijd, zo’n 1 meter 60, sluik haar. Iedereen moest helpen zoeken voor het nog donkerder werd. Iedereen draafde in opgewonden kringetjes de poelen rond. Oh mijn god, hoorde ze een vrouw roepen, een vrouw, wat als ze erin gevallen is? Ze ploegden de natte aarde om, legden hun hand boven hun ogen om verder te kunnen zien. Maar het duister week niet, het kwam dichterbij. Uiteindelijk verscheen de politie, rode lampjes knipperend tegen het zwart van de de lucht. ‘Godzijdank,’ riep iemand, ‘hulp.’ In drafjes ging het terug naar de bus. De stemmen stierven weg.

Ze was weer alleen en dacht aan de rouwkaart. Hoe ze het in godsnaam voor elkaar had gekregen Moon op het allerlaatste moment datgene te ontzeggen waar ze het meest recht op had: de waarheid. Ze schreef iets moois, een zin die ontroerde, maar niet de waarheid, dat wat haar en Moon onlosmakelijk had verbonden als leven en dood. Ze was laf geweest. Laffer dan haar moeder, die nadat haar vader stierf de hele wereld de waarheid had verteld. Vijf woorden op de spaarzaam bedrukte rouwkaart: HIJ WAS EEN GOEDE MINNAAR. Moon was een goede minnares. Iedere vezel van haar lichaam voelde het gemis. Moon die altijd opviel, in schril contrast met haar eigen nietszeggende voorkomen. Een godswonder was het dat ze die grote vrouw had verleid, dat ze zo lang van haar had mogen zijn.

In de verte begon een motor te ronken. Ze twijfelde of ze terug zou lopen in de richting van de bus. Of het toeval was geweest, had ze zich later afgevraagd toen alles opgehelderd was. Dat verdomde toeval, waarvan je nooit wist of het bestond of dat ook toeval toeval was. Dat ze net die reis die klassieker van Louis-Ferdinand Céline aan het herlezen was, die voert naar daar waar de nacht eindigt. ‘Het beste dat je kunt doen als je op deze wereld bent, is te verdwijnen, niet waar? Gek of niet gek, bang of niet bang.’