Het was een nacht waarin de wolken troost zochten. Dicht tegen elkaar aan geschurkt bewogen ze traag langs de nachtelijke hemel, als een laatste front tussen boven en beneden. Een nacht waarin je niet veel verder kon kijken dan de rug van degene voor je. Als je niet oplette was je alleen in het duister.

Voor hen lagen de weilanden te wachten op de dageraad, stil en weids. Iemand vloekte. Waarom niemand zo snugger was geweest een knijpkat mee te nemen. ‘Omdat we stadsjongens zijn.’

‘Stadsguerrilla, bedoel je zeker!’ De stem van Blake. ‘Fucking troopers, zijn we. Ja toch!’ Er werd gelachen, geschreeuwd. Het zelfvertrouwen was terug. Na vanavond zou niets meer hetzelfde zijn. Zij niet, de wereld niet.

Ze rilde in haar dunne parka. ‘Vrouwen,’ had Blake misprijzend gezegd vlak voordat ze vertrokken. ‘Heb je niks beters? Mijn meisjes kleden zich altijd te koud, altijd verkeerd. Hoe moeilijk kan het zijn.’ Ze had willen zeggen dat ze geen andere jas had, dat niemand haar had verteld dat de actie vanavond al plaats zou vinden, dat ze geen tijd had gehad zich voor te bereiden, maar ze zei niets. Ze dacht aan al die schaars geklede vriendinnetjes en vroeg zich af waarom hij niet in de verleden tijd sprak.

Om haar heen klonk het gekraak van leer, het geritsel van winddichte regenjacks, stemmen weggemoffeld in dikke wollen sjaals. Maar het gaf niet, ze was erbij, een van hen, een van de fucking troopers. Voor niemand bang.

De groep liep steeds verder weg van het dorp. Het asfalt onder hun laarzen ging over in zacht verende grond. Ze werden stiller alsof de nacht hen zou verraden als ze de regels vergaten. De regels die Blake kort had uitgelegd. Van zo’n eenvoudige schoonheid dat ze zich heel even had afgevraagd waarom ze zich maandenlang hadden voorbereid.