We smeten onze fietsen in het zand. Lieten ze voor dood achter. We gaven de fles Smirnoff door. Ik nam een te grote slok en hoestte. Gegrinnik. Maar ik kon tegen drank. Beter dan zij wisten.

Het strand strekte zich meedogenloos uit. Kil zonder andere stemmen, alleen die van ons vieren, waar iets mis mee was. Te hoog, dan weer te laag. We schreeuwden terwijl we ook konden praten. Het duister te donker om verder te kunnen kijken dan de grond vlak voor onze voeten. We stuurden onze stemmen vooruit als verkenners. Liever zij dan wij. Alsof de vijand voor ons lag.

‘Oké, en nu?’ Teun stak een sigaret op. Inhaleerde diep. Het licht van de vuurtoren trok hem naar voren uit de nacht.

‘Sinds wanneer rook jij?’ Het was geen verhoor, maar het klonk verkeerd. De lichtbundel te fel op zijn gezicht.

‘Sinds jij zoveel drinkt.’

‘We gaan d’r in!’ Sander pakte mijn hand en begon te rennen in de richting van waar de branding moest zijn. ‘Toch Willemijn? Jij had toch zo’n zin!’ Ik hoorde Willemijns antwoord niet. Ik probeerde niet te vallen. Mijn knieën knikten door de kuilen in het zand die me dwongen Sanders arm stevig vast te grijpen. Een soort zweven tussen elke pas, omdat hij zoveel langer was.

‘Seije eerst.’ Willemijn strekte de boa, die vochtig was geworden door de zeelucht en om haar hals lag als een dode vacht, voor zich uit. Maakte een plagerige pirouette. Als we maar niet dachten dat ze dit meende. Dit alles.

‘Waarom?’ zeiden Teun en ik tegelijkertijd.

‘Oké dan, als het zo moet.’ Willemijn knoopte traag haar spijkerbroek open.

We keken naar het puntje van haar witte slipje. Doorzichtig. Haar schaamhaar veel donkerder dan haar blonde krullen.

‘Nu jij. Toch Sander?’

‘Ja, Seije, nu jij.’ Sander glimlachte naar me, voor het eerst die avond. Voor het eerst überhaupt.

‘Oké.’ Ik aarzelde. Teun keek de andere kant op. Het puntje van zijn sigaret gloeide afkeurend. Ik had niet veel om uit te trekken. Mijn slippers had ik bij de strandopgang achtergelaten. Geen panty om naar beneden te stropen, wat misschien ook maar beter was. Er bleef maar één handeling over. Onomslachtig, niets met knoopjes, touwtjes. Niets wat tot de verbeelding sprak. Ik trok mijn jurkje over mijn hoofd. Mijn buikspieren trokken samen van de kou en van het besef dat iedereen keek.

‘Knapperd,’ riep Willemijn. Ze danste om me heen. De veertjes van haar boa kietelden over mijn blote rug. Over mijn hals, over het gleufje tussen mijn borsten.

‘Broek uit!’ Teun zette een stap in Willemijns richting. Twee koppen groter minstens. Hij boog naar voren en blies rook in haar verbaasde gezicht. Willemijn keek naar Sander. ‘O, het was niet echt serieus bedoeld. Het is toch veel te koud?’

‘Ja, T-boy, als ze nou niet wil.’

‘Wat bedoel je, Sander? We gingen toch zwemmen?’ Teun begon aan zijn riem te sjorren. Peuk in zijn mondhoek.

‘Ja, kom op, Willemijn. We doen het allemaal,’ zei Sander plotseling fel. Willemijn begon halfslachtig aan de bandjes van haar hemdje te trekken. Even was er een moment van niets, van wachten, een ondraaglijk moment waarin alles nog kon keren, maar we wisten allemaal dat niemand meer af kon vallen. Vanaf nu werd het verraad.