Slagroom - Eva Kelder

Posted by | augustus 19, 2013 | Korte verhalen | No Comments

Gepubliceerd in de verhalenbundel Meer Oost
Gepubliceerd in De Revisor
Tevens gepubliceerd op hebban.nl
Tweede prijs competitie Schrijvers uit Oost.

Uit het juryrapport: ‘Dit is een geestig kort verhaal over de rivaliteit tussen de lelijke maar vlotte Bennie en de ook niet al te knappe hoofdpersoon die tot een hoogtepunt komt in het Sportfondsenbad. De schrijfster zet suggestie sterk in en de stijl, met name die van de dialoog, is goed.’

Ik kan niet zwemmen. Nooit gekund ook. Toch ga ik naar het zwembad, omdat zij van water houdt. Waarom ik denk een kans te maken, staat me niet meer helder voor de geest. Zij de mooiste van de klas. Ik de lelijkste. Misschien dat Bennie met z’n scheve bek een tikkie lelijker is, maar toch, mooi ben ik niet. Je moet ook niet denken dat ze naar me lacht en dat dat me hoop geeft. Ze lacht niet naar me, Karlijn. Naar niemand trouwens.

‘Wat is er dan zo leuk aan die Karlijn,’ zegt Bennie. Hij spreekt haar naam uit met een vies gezicht. Karlijn, konijn.

‘Ze is net slagroom,’ zeg ik. Bennie zwijgt.
‘Jongen,’ zegt hij terwijl hij zijn duimen in elkaar haakt zoals ie altijd doet op plechtige momenten, ‘je bent verloren.’ Het klinkt alsof we vijftig zijn en alles al een keer gezien. Ik ben dertien.

Bennie heeft een oog voor vrouwen. Vindt ie zelf. Wij hebben geen enkele reden om het in twijfel te trekken. Bennie is zestien, drie keer blijven zitten en rijdt een Vespa.
‘Ik heb de juf Frans gepakt,’ zegt Bennie. ‘Achter de fietsenstalling. Ik trok d’r helemaal uit elkaar. Dat vinden meiden fijn.’ Nu twijfelen we.
‘Bewijs het maar,’ zegt iemand.
‘Morgen heeft ze een zuigzoen op d’r linkerwang.’ Bennie kijkt alsof hij er nu al zin in heeft.

De volgende dag plakt een zuigzoen zo groot als een stuiver op de wang van de Franse juf. Uit ontzag vergeten we te klieren en slaan zonder aanmoediging onze boeken open. ‘Voulez-vous coucher avec moi ce soir,’ neuriet Bennie. Ik weet het niet zeker maar het lijkt alsof de juf anders dan anders langs haar lippen likt. Trager, met meer speeksel.

Bennie weet het. Van Karlijn. In de pauze neemt hij me apart.
‘Neem d’r mee naar het zwembad en duw d’r koppie onder,’ fluistert hij in mijn oor. Zijn adem ruikt naar kroketten. ‘Werkt als een tiet.’
Zelfs ik, onervaren als ik ben, vind het een raadselachtig advies, maar Bennie is de meester. In de liefde.

Ik vraag Karlijn. Ze zegt ja. Zaterdag, twee uur. Ze gaat ieder weekend met haar vriendinnen zegt ze ook nog, maar ik hoor het al niet meer. Ik denk aan slagroom.
Karlijn zwemt niet. Ze glijdt. Onder de spiegeling van het wateroppervlak zie ik de babygele ruches op haar badpak trillen als zeeanemonen. Ik zoek haar blik. Yes! Ze kijkt naar me.

Ze staat onder de waterval. Haar gezicht verscholen achter een regen van fijne druppels. Ik reik mijn armen uit, wil bovenop haar springen, haar onder water duwen. Verbaasd kijkt ze op me neer. Ik ben vergeten hoe lang ze is. Een hoge lach. Ze duikt weg als een zeemeermin met meisjesbenen.

Ik geef niet op. Ik loop naar de duikplank. Als ik mijn hoofd in mijn nek leg, zie ik net de laatste tree. Bennies grijns weerkaatst in de natte tegels. Met zijn armen voor zijn borst gekruist – ‘komen m’n spieren beter uit’ – staat hij aan de rand van het zwembad. Alle tijd. Hij fluit. Zoals je naar een meisje fluit. Karlijn kijkt op vanuit het bad. Bennie fluit naar haar. Zachter nu, alsof hij wil dat alleen zij het hoort. Karlijns wangen worden rood. ‘Ga je mee een ijsje eten, Karlijn?’ roept Bennie. ‘Heb je wel verdiend, je lijkt wel een dolfijntje.’ Karlijn giechelt en roept iets terug dat ik niet versta.

Ik word misselijk. De ijssalon ligt achter de fietsenstalling. Met trillende benen beklim ik de treden van de hoogste. In het diepe schuift Karlijn onder mij door. De timing is perfect. Ik neem een duik. Boven komen is van later zorg.